Han van Meegeren

MEEGEREN, H.A. (Henricus Antonius (‘Han’) van (1889-1947).
Reeds vroeg gaf Van Meegeren blijk van talent voor het tekenen: een vaardige hand, vlotte lijnvoering en verbluffend gelijkend. En het leven van een Bohémien smaakte hem wonderwel. Hij brak, tegen de zin van zijn vader, zijn studie bouwkunde in Delft af en behaalde de middelbare tekenakte. Als student had hij zich in een prijsvraag, uitgeschreven door de Technische Hogeschool, weten te onderscheiden: zijn inzending (een kerkinterieur) was bekroond met de gouden erepenning.
Zo begon zijn loopbaan als “society kunstenaar”. Waar hij aanvankelijk door de kunstcritici bejubeld werd, zo werd zijn werk later weggewufd als oppervlakkig en triviaal. “Zijn arbeid vertoont een verscheidenheid, die eer dan veelzijdigheid, onbestendigheid schijnt te betekenen. En hij is handig, van een te vlotte habiliteit; naar gelang men meer of minder in de wezenljkheid van zijn talent gelooft, spreekt men van een zeldzame vaardigheid, of van bedrieglijke en hachelijke virtuositeit”. Zeker is wel dat Van Meegeren zich gekrenkt voelde. Deflamboyante, welgestelde kunstenaar trok zich enkele jaren terug uit het openbare leven. De laatste jaren is er steeds meer belangstelling voor zijn eigen werk.

Door zijn succesformule — bakeliet vloeistof gemengd met oude verf gebakken in de oven om het effect van bladderen en craquelé te bereiken — was hij verzekerd van een inkomen van miljoenen. Weer hadden de critici hem verkeerd begrepen: “Van Meegeren is zelf de laatste om met eenmaal bereikte resultaten genoegen te nemen, en door te borduren op een eenmaal gevonden recept”. In de oorlogsjaren was er juist sprake van een herwaardering. In 1942 was er een tentoonstelling van tekeningen in Panorama Mesdag en verscheen er een luxe uitgave met 50 (kleuren)reproducties “Teekeningen 1”, bij Boucher in ‘s-Gravenhage. Zo sterk als Hannema in zijn Vermeer had geloofd, zo warm was de receptie van deze kunstkenner: “Nu spreekt die teere liefde sterker en voorgoed. Het blijkt dus, dat er toch een verandering in hem heeft plaats gevonden. Hij is inwendig stiller, aandachtiger en zuiverder geworden. Vanzelf moet dit ook leiden tot een rustiger waardeering van zijn eertijds zoo onrustige persoonlijkheid. Immers in die bloem- en dierteekeningen en de enkele landschappen, die hij, (..) nu onverwacht leeg heeft gelaten, alleen verzadigd van een roerlooze stemming, voelen wij ons voorgoed in de nabijheid van den kunstzinnigen, in mystiek verzonken werkman”.

*